
Jaap Draaisma
Lectoraat
Grootstedelijke Vraagstukken
Waarom Amsterdammers zich minder thuisvoelen in de stad: ‘Het kan ook anders, zoals in New York’
‘Je thuis voelen komt tot stand door alledaagse routines en ervaringen en kost tijd om op te bouwen.’ Foto Jakob van Vliet
Amsterdammers voelen zich minder thuis in hun stad. Is dat een logisch gevolg van de veranderende bevolkingssamenstelling, zoals experts stellen, of moet de stad op zoek naar een geheel ander soort thuisgevoel?
In de periodieke Burgermonitor was het jarenlang een niet al te interessante statistiek: het thuisgevoel van Amsterdammers. Het was een volkomen stabiel cijfer: van 1999 tot 2010 voelde 82 procent van de door onderzoeksbureau O&S ondervraagde Amsterdammers zich helemaal thuis in de stad. Maar in het deze week verschenen onderzoek, waarin de vraag voor het eerst sinds 2010 weer werd gesteld, is dat 67 procent.
Wie puur naar de cijfers kijkt, zou zo’n scherpe daling opvallend noemen, maar mensen met verstand van zaken zijn allerminst verbaasd. Want hoe meer Amsterdam een komen-en-gaanstad wordt, hoe minder mensen zich er thuis voelen.
“Het is een logisch gevolg van hoe de stad zich heeft ontwikkeld,” zegt sociaal geograaf Jaap Draaisma, verbonden aan de Hogeschool van Amsterdam. “Amsterdam is een mondiale stad met een grote in- en uitstroom van mensen. Het kost nu eenmaal tijd voor je geworteld bent in een stad. Maar die doorstroom van mensen heeft ook effect op het karakter van de stad en op het thuisgevoel van mensen die hier langer wonen.”
De voorbeelden zijn bekend: tegenover de expat die na vier jaar nog geen woord Nederlands kent omdat iedereen Engels met hem praat, staat de oorspronkelijke Amsterdammer die klaagt dat je in een winkel of restaurant enkel nog in het Engels wordt geholpen. De een ziet een kosmopolitische hub, de ander herkent zijn vertrouwde stad niet meer.
Binnen vijf jaar weg
Tot 2015 kende Amsterdam jaarlijks zo’n dertigduizend nieuwkomers, de laatste jaren is dat gestegen naar tachtig- tot negentigduizend, zo’n tien procent van de Amsterdamse bevolking. Het grootste deel van de nieuwkomers is binnen vijf jaar weer vertrokken; hun plek wordt weer ingenomen door nieuwe stadbewoners.
Het is voor het eerst sinds 2010 dat O&S het thuisgevoel van Amsterdammers peilt. Het betreft kwantitatief onderzoek, waarbij mensen alleen de vraag krijgen of ze zich ‘zeker’, ‘een beetje’ of ‘niet’ thuis voelen in de stad. “We hebben niet gevraagd wat ze verstaan onder thuis voelen of wat er zou moeten gebeuren om dat gevoel te versterken,” licht O&S-onderzoeker Sara Rubingh toe. Het blijft dus gissen, maar de bevolkingssamenstelling lijkt de meest voor de hand liggende verklaring.
Draaisma wijst op de grote doorstroom van buitenlandse studenten en expats. “Buitenlandse studenten vertrekken over het algemeen als ze hun bachelor- of masteropleiding hebben afgerond. En de meeste mensen die hier komen werken zijn ook passanten. Amerikanen zijn meestal binnen vijf jaar weer weg, mensen uit India die in Nederland blijven verhuizen vaak naar plekken buiten de stad. En dan zijn er nog heel veel Nederlanders die de stad verlaten als ze kinderen krijgen.”
Sorteermachine
Volgens Draaisma functioneert Amsterdam als een ‘sorteermachine’. Met name jonge mensen zijn welkom in de stad, om te studeren of te werken, maar na een paar jaar is slechts een beperkt deel in staat om in Amsterdam te blijven wonen. De rest wordt door de torenhoge prijzen van koop- en huurwoningen de stad uitgedreven.
Draaisma: “Sorteermachine is een verwijzing naar de voormalige GroenLinkswethouder Maarten van Poelgeest, die Amsterdam een emancipatiemachine noemde. Daar bedoelde hij mee dat mensen uit alle windstreken zich in Amsterdam konden vestigen om zich te ontplooien, om diploma’s te halen, een baan te krijgen of een bedrijf te starten. Maar ze kwamen ook om zich het stedelijke leven eigen te maken of om zich te emanciperen, bijvoorbeeld als lhbtq. Dat was lange tijd ook zo, maar inmiddels moet – of wil – een groot deel van de nieuwkomers na een paar jaar weer weg.”
Stadsgeograaf Fenne Pinkster, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, doet al jaren onderzoek naar thuisgevoel in de stad. “Thuis voelen komt tot stand door alledaagse routines en ervaringen en kost tijd om op te bouwen.” Het teruglopende thuisgevoel van Amsterdammers is volgens haar daarom op zichzelf niet problematisch. “Het weerspiegelt de staat van de stad: als binnen tien jaar de helft van de bevolking verandert en er komen veel jongeren en expats bij, krijg je per definitie een lager thuisgevoel.”
Die snelle doorstroming is om een andere reden wel een probleem: de stad heeft mensen nodig die er langer wonen en zich verbonden voelen, want dan zijn ze ook bereid erin te investeren, zegt Pinkster. “Zij vormen het sociale weefsel dat nodig is om de stad te dragen.”
Toch is het volgens haar niet zinnig om ‘je thuis voelen’ een beleidsdoel te maken of daar als gemeente op te sturen. “Je kunt je beter richten op de onderliggende condities, zoals betaalbaarheid op de woningmarkt en genoeg variatie in woonvormen, zodat mensen die in de stad wíllen blijven, ook kúnnen blijven.”
Wat volgens Pinkster aandacht verdient, zijn de sociale en ruimtelijke verschillen in thuis voelen. “Blijkbaar is het voor mensen in wijken in Nieuw-West, Noord en Zuidoost minder makkelijk om zich thuis te voelen en herkennen zij zich minder in de stad. Dat soort emotionele ongelijkheid raakt aan wezenlijke vragen over wat voor stad Amsterdam wil zijn en voor wie de stad er wil zijn.”
Vertrouwde vreemdelingen
Draaisma denkt dat Amsterdam een voorbeeld kan nemen aan New York. Die stad is weliswaar nog veel duurder, maar het is net als Amsterdam een internationale stad met een hoge mate van in- en uitstroom van tijdelijke bewoners. “New York kent een ander soort thuisgevoel. Een waarin culturele diversiteit en het internationale karakter worden gevierd. Bijna elke dag is er wel een parade van een bevolkingsgroep: de ene dag Colombianen of Kroaten, de volgende dag Nederlanders of Ieren. Stadsbewoners zijn er ‘vertrouwde vreemdelingen’: je kent elkaar niet, er zijn verschillen, maar je bent toch verbonden.”
Het kan een wenkend perspectief zijn voor Amsterdam. Dat vraagt misschien ook om een andere blik op de stad: een waarbij expats, internationale studenten en andere tijdelijke bewoners niet alleen als passanten worden gezien, maar als wezenlijk onderdeel van Amsterdam. Het thuis voelen zit dan minder in herkenning en meer in het besef dat verschillen en voortdurende beweging bij de stad horen.
Roelf Jan Duin
3 juli 2026
